Copyright ©   2017   Concertcommissie Koepelkerk-Smilde

Koepelkerk-Smilde
1840-1841: Orgel gebouwd door Petrus van Oekelen. De totstandkoming van het orgel van Smilde ging gepaard met tal van conflicten. Een bedrag van f 1000,- was door Katharina Hendrika Rebenscheijdt (overleden te Smilde op 7 juli 1815) gelegateerd om gebruikt te worden als 'startkapitaal' voor het realiseren van een orgel in de kerk van Smilde. Er ontstond echter een verschil van mening over de te volgen procedure tussen de executeur-testamentair, Mr. S. Gratama, en de kerkvoogden. Het Provinciaal College van Toezicht op de administratie van de Nederlands Hervormde kerk kwam tussenbeide en concludeerde, dat "het college van kerkvoogden voornoemd, zich min geschikt acht om, in der tijd, behoorlijk te verzorgen datgene wat er zal moeten worden geregeld en bewerkstelligd om de stichting van het kerkorgel doel treffend te verwezenlijken; zoo zijn den Heer President van het provinciaal College van toezigt, nevens den Heer Mr. S. Gratama verzocht geworden om, ter vervanging van het college van kerkvoogden, zich met dezen taak te willen belasten; het welk welk verzoek door beide Heeren is aangenomen".
Het College van Toezicht nam aldus, tegen de zin van de kerkvoogden in, de zorg voor het te bouwen orgel op zich. De kerkvoogden waren echter onverstoorbaar en wisten door middel van een intekenlijst toezeggingen ter grootte van f 631,95 te verzamelen onder de gegoede gemeenteleden. Het College van Toezicht wees in zijn reactie de kerkvoogdij op het feit, dat voor een orgel van enige omvang tenminste f 5000,- benodigd zou zijn. De kerkvoogden waren allerminst uit het veld geslagen en namen zich voor om niet tevreden te zijn met f 631,95 maar te trachten het dubbele bedrag aan toezeggingen binnen te krijgen door een dringend beroep te doen op alle gemeenteleden, draagkrachtig of niet. Het College van Toezicht wenste hier niet op in te gaan en schreef in zijn antwoordbrief op 29 juni 1838, dat zelfs als de kerkvoogden erin zouden slagen het dubbele bedrag bijeen te brengen, het aldus verkregen kapitaal samen met het legaat nog onvoldoende zou zijn voor het laten bouwen van een orgel. In een brief gedateerd 19 juli 1838 rekende het College dit de kerkvoogden nog eens fijntjes voor. Het College strooide nog meer zout in de wonden van de kerkvoogdij door de kerkvoogden er in een brief van 4 september 1838 op te wijzen, dat zij hadden verzuimd het College een volmacht te sturen om schriftelijk te bevestigen, dat het College de zorg voor het orgel zou dragen in plaats van de kerkvoogdij. Het College eiste, dat deze volmacht, door elk der kerkvoogden persoonlijk ondertekend, voor 10 september 1838 zou worden overlegd.. De kerkvoogden gingen door de knieën en stuurden de gevraagde volmacht op 11 september; vermoedelijk met opzet één dag te laat als teken van ongenoegen. De bemoeienis van de kerkvoogdij met de totstandkoming van het orgel werd eenvoudigweg niet op prijs gesteld. Op 23 oktober 1839 liet het College aan de kerkvoogden weten:

"Door UED. is in der tijd aan den Heere Gouverneur, President van ons Collegie, ingezonden een bestek en teekening betrekkelijk den bouw van een Kerk-Orgel. Wij hebben de eer, dat bestek en die teekening met den daarbij behoorenden blikken koker, hiernevens aan UFD. terug te zenden, om aan den vervaardiger te Zwolle door UwEDs. tusschenkomst weder te worden overgedragen". Het feit, dat Zwolle hier genoemd wordt, is een indicatie, dat het hier om een offerte van de orgelmaker Scheuer zou kunnen gaan. Op 21 september 1838 had het College de bouw van het orgel al aanbesteed en wel aan Petrus van Oeckelen: "De bouw van het kerkorgel in het vorenstaande Bestek omschreven, en aangewezen op de teekening, welke bij Heeren uitbesteeders, na door den Aannemer te zijn geteekend, afzonderlijk blijft berusten, is onderhands uitbesteed aan, en aangenomen door Petrus van Oeckelen, van beroep orgelmaker, wonende te Groningen, provincie Groningen, voor eene som van vij£Duizend driehonderd Gulden (: f 5.300,00 :)...".
Hiermee waren de problemen echter allerminst afgelopen, want na moeilijkheden tussen het College en de kerkvoogdij ontstonden er nu moeilijkheden tussen het College en Petrus van Oeckelen. Het College berichtte de kerkvoogdij, dat het orgel op 8 juli 1840 in de kerk zou worden geplaatst. In november van dat jaar stuurde de kerkvoogdij een klaagbrief terug, inhoudende dat de opbouw van het orgel in de kerk traag verliep. Het College verklaarde de Macht gegrond en stuurde een kopie van de brief door naar Van Oeckelen met een aanmaning om zijn inspanningen te verdubbelen. Toen het werk daarna nog te weinig vorderde, stuurde de president van het College een brief aan Van Oeckelen met daarin de volgende harde woorden:
"Assen den 2 September 1841. Mijne vertrouwelijke brieven zonder gevolg ja de laatste zonder antwoord gebleven zijnde, en even als alle vroegere, ook Uwe laatste mondelinge aan mij gedane belofte, om namelijk den bouw van het orgel binnen de kerk der hervormden te Smilde voor of op den 15: Augustus 1841 voltooid opteleveren als eene gestadige misleiding moetende worden beschauwd, daar het werk sedert ons gesprek slechts weinig vordering heeft gemaakt, en zoo ik verneem, moet achterstaan voor later aan UWEd. opgedragene werkzaamheden, zoo vindt ik mij, mijns ondanks, verpligt tot eene Officiële correspondentie overtegaan en UwEd: over deze herhaalde teleurstelling mijn ernstig ongenoegen te betuigen. Voor de laatste keer wil ik thans UwEd. ten dringendsten vermaand hebben om zonder eenig verder verwijl, die voltooijing als nu te bewerkstelligen, en mij deswege voor of op den 15e. dezer maand, uwe schriftelijke toezegging, met bepaalde opgave van het uiterlijk tijdstip der voldoening te doen geworden, het welk ik dan nog éénmaal aan Heeren kerkvoogden in UwEd: belang zal voordragen, terwijl, bij onverhoopt nader verzuim, u aan zich zelven zult hebben te wijten de strengere maatregelen die als dan jegens u zullen moeten worden genomen, en waaromtrent mijne gunstige bemiddeling, ook niet meer door UwEd zal kunnen worden verwacht.
Petrus van Oeckelen zal van deze brief wel geschrokken zijn; op 18 september stuurde hij zijn antwoord. Daarin legde hij uit, dat hij tijdelijk niet over al zijn personeel kon beschikken. Zijn meesterknecht vertoefde in Breda in verband met het overlijden aldaar van diens enige broer; een tweede knecht was ingeloot om in Leiden zijn dienstplicht te vervullen. Verder schreef hij: "Hier door van de noodige hulp verstoken zijnde, konde ik niet zoo spoedig werken als ik wilde, heden echter begeef ik mij nog naar de Smilde ten einde aldaar onafgebroken het werk voort te zetten en te voltooijen; terwijl Uwe Excellentie zich overtuigd kan houden dat hetzelve voor half November aanstaande volkomen afgewerkt zal zijn". Petrus deed dus opnieuw een belofte, een belofte, die hij opnieuw zou breken. De Gouverneur had echter medelijden met hem en schreef op 26 oktober aan de kerkvoogden, dat Van Oeckelen uitstel kreeg tot en met eind november; op 1 december moest het orgel gereed zijn. Ondertussen was het al 23 november, toen de Gouverneur de kerkvoogdij meldde, dat van Oeckelen pas op 15 december klaar zou zijn. Niettemin wilde hij Van Oeckelen houden aan de bepaling, dat het orgel eind november opgeleverd diende te worden op straffe van sancties. Ook deze datum werd niet gehaald. Op 2 december schreef de Gouverneur aan Van Oeckelen, dat de oplevering moest plaatsvinden op donderdag 23 of vrijdag 24 december, waarbij tevens de keuring van het orgel verricht zou worden. De inwijding zou dan plaats kunnen hebben op zondag 26 december met Jhr. Mr. S.W. Trip als organist.
Het volgende conflict betrof de toestand, waarin het orgel moest worden opgeleverd. De Gouverneur stuurde op 2 december 1841 een brief aan Van Oeckelen, waarin hij een aantal details aan hem voorlegde, die (naar zijn mening) bij de oplevering hoorden, zoals het vergulden der labia der frontpijpen, het verven van het plafond boven het orgel, het maken van gordijnen voor de ramen achter het orgel en zelfs een "Psalm en gezangboek voor de Organist". De Gouverneur eiste van Van Oeckelen, dat hij in ieder geval de labia der frontpijpen zou vergulden. Hierbij beriep hij zich op artikel 13 alinea 6 van het bestek waarin dit evenwel niet expliciet bepaald staat: "de Ornamenten voor de voeten der pijpen zullen geheel verguld worden, alsmede de franjes, koorden en kwasten der draperijen; zullende het overige gedeelte met Kreems wit worden geverwd, doch hier en daar, doelmatig met goud worden afgezet..". De overige extra voorzieningen moest Van Oeckelen dan maar in orde maken voor "de zuinigste prijzen", hetgeen voor of op 22 november in orde moest zijn.
Op 7 december kon de Gouverneur de kerkvoogden meedelen, dat Jhr. Mr. S.W. Trip het orgel zou komen keuren. Trip vroeg hiertoe van de kerkvoogden "een stuk der specie waarvan de binnenstaande pijpen gemaakt zijn en het welk een Uwer moet trachten op het orgel meester te worden, gelijk mede een stuk tin, waarvan de frontpijpen zijn zamengesteld te bekomen, ten einde die specien met scheikundigen te kunnen onderzoeken". Het bouwkundig gedeelte van de keuring werd verricht door de hoofdingenieur van Waterstaat en Publieke Werken. Hij keurde het werk goed, maar constateerde enkele zaken, die afweken van datgene, wat in het bestek bepaald was. Zo was de kas slechts met vier ankers bevestigd en wel aan de zolderbalken, terwijl was overeengekomen, dat de kas met zes ankers aan de muur zou worden bevestigd. Hiervoor diende Van Oeckelen alsnog te zorgen. Overigens constateerden zowel de hoofdingenieur als Trip, dat er ook enkele zaken waren, die Van Oeckelen juist beter (dan in het bestek was bepaald) had opgeleverd. Trip, die in zijn rapport zeer lovend was, stelde vast, dat het orgelmetaal van de binnenpijpen bestond uit 55 delen lood en 45 delen tin, terwijl een verhouding van tweederde lood en eenderde tin was overeengekomen. Uiteindelijk werd het orgel op zondag 26 december 1841 in gebruik genomen en bespeeld door Jhr. Mr. S.W. Trip
De dispositie van het instrument staat aldus in het bestek opgenomen:

Hoofdmanuaal   
Prestant 8 vt groot C in het front.
Bourdon 16 vt wijd mensuur De beide onderste octaven van wagenschot
Wijdgedekt 8 vt  
Prestant 16 vt Discant
Octaaf 4 vt  
Nachthoorn 4 vt  
Octaaf 2 vt  
Fluit 2 vt /open/
Cornet 5 sterk /discant/
Mixtuur 4 sterk 't uit een voet ieder octaaf; repeterende/ gehalveerd./van tin.
Fagott 16 vt (gehalveerd)
Trompet 8 vt  
   
Bovenmanuaal   
Prestant 8 vt klein F in het front
Holfluit 8 vt de beide onderste octaven gedekt.
Holpijp 8 vt  
Viola da gamba 8 vt  
Octaaf 4 vt  
Fluit 4 vt /gedekt/
Waudfluit 2 vt /open/
Vox humana   met doorgeslagen tongen.
De klavieromvang is in het bestek vastgesteld op C-f"' voor de Manualen en C-c' voor het Aangehangen Pedaal. Voorts werden een klavierkoppeling en twee afsluiters aangebracht.

1895:
De zonen Van Oeckelen voeren een herstelling aan het orgel uit, waarbij de dispositie enigszins werd gewijzigd:
Manuaal                                         Bovenwerk  
Bourdon 16 vt                                Prestant 8 vt
Prestant 16 vt discant                    Holpijp 8 vt
Prestant 8 vt                                  Holfluit 8 vt
Gedekt 8 vt                                    Viola 8 vt
Octaaf 4 vt                                     Octaaf 4 vt
Nachthoorn 4 vt                             Fluit 4 vt
Octaaf 2 vt                                     Fluit 2 vt
Fagot 16 vt                                    Vox humana 8 vt
Trompet 8 vt                                  Tremelo  
Mixtuur     
Cornet    
Afsluitingen, koppeling voor de beide klavieren en tremolo.

1958: Restauratie door D.A. Flentrop onder advies van Dr. M.A. Vente. De oude slepen werden vervangen door dubbelverende exemplaren, de windladen werden geheel hersteld en een Carillon II-III kwam op de plaats van de Holfluit op het Bovenwerk. Ook de kelen en tongen van de Vox Humana werden vernieuwd. Hoewel aanvankelijk het plan was om de tongen van de Fagot en de Trompet te vervangen, besloot men in een later stadium de bestaande tongen weer zo goed als mogelijk bruikbaar te maken. Van de Vox Humana werden behalve de tongen ook de kelen vernieuwd. Veel pijpen kregen nieuwe voeten, aangezien de oorspronkelijke voeten gecorrodeerd waren. Het snij- en lofwerk werd hersteld. Met de restauratie was een bedrag gemoeid van f 23.277,24 .

1998: Gedeeltelijke restauratie door Flentrop Orgelbouw onder advies van Jan Jongepier. De slepen van de tongwerken en de Mixtuur zijn vervangen door (dikkere) eiken exemplaren, de klavieren hersteld en de tongwerken gerestaureerd. De van origine doorslaande Vox Humana (BW) met horizontale tongplaten, kon worden gereconstrueerd aan de hand van de bewaarde stevels, koppen en bekers. Voor de overige delen werd informatie verkregen uit fragmenten van een vergelijkbaar register, afkomstig uit het voormalige orgel van de Gereformeerde Parklaankerk te Groningen, in opslag bij Sicco Steendam. De intonatie van de tongwerken en de Mixtuur werd gecorrigeerd, de dispositie bleef ongewijzigd. Op 26 juni 1998 werd het orgel in de Hervormde Koepelkerk te Smilde weer in gebruik genomen.

Dispositie na de werkzaamheden uit 1998:
Hoofdwerk                                    Bovenwerk                                         Pedaal
Bourdon 16'                                   Prestant 8' C - d1                                aangehangen
Prestant 16' discant                      Holpijp 8'  
Prestant 8'                                     Holfluit 8'  
Gedekt 8'                                       Viola da Gamba 8'  
Octaaf 4'                                        Octaaf 4'  
Nachthoorn 4'                                Fluit 4'  
Octaaf 2'                                        Fluit 2'  
Cornet V discant                            Carillon III  
Mixtuur V                                       Vox Humana 8'  (vanaf 2005 Dulciaan 8’)
Fagot 16'    
Trompet 8'     

2002: De restauratie van de Vox Humana is na grondig onderzoek in het begin van 2002 door Jan Jongepier en een deskundige van monumentenzorg als mislukt aangemerkt. Dit gehele register is voorlopig vervangen door een Dulciaan 8'. Deze werkzaamheden zijn in het voorjaar van 2005 afgerond. Dit uit ± 1850 stammende register, herkomst tot op heden nog onbekend, komt uit de Kapelkerk te Alkmaar.
De oorspronkelijke Vox Humana is in de orgelkas opgeslagen. Indien de kennis, inzichten en voortschrijdende technieken in een later stadium zullen zijn geoptimaliseerd, zal alsnog een poging ondernomen worden dit historische register in de toekomst opnieuw te reconstrueren.